Zoektocht naar Isolina in Verona
22084
post-template-default,single,single-post,postid-22084,single-format-standard,stockholm-core-1.0.1,select-theme-ver-5.3,ajax_fade,page_not_loaded,wpb-js-composer js-comp-ver-6.4.1,vc_responsive

Zoektocht naar Isolina in Verona

Een zoektocht naar de sporen van Isolina in Verona

In navolging van de roman Isolina (1980) van Dacia Maraini

Per la versione in italiano clicca qui

Wat ik zo heerlijk vind aan Verona zijn de twee gezichten die de stad kent. Die mooie harmonie tussen cultuur en geschiedenis aan de ene kant en modern en trendy aan de andere. Zo zijn in de afgelopen jaren, dankzij creatieve ondernemers, diverse innovatieve designwinkeltjes opgestart. Laat je eens inspireren door Fil good in via Amatore Sciesa 3c bijvoorbeeld, dat erg mooie leren tassen verkoopt, of door The Yellow Peg in via Gaetano Trezza 14a, dat een op vintagestijl gebaseerde kledinglijn aanbiedt onder het motto: sew your style, wear your dreams!
De nieuwste Italiaanse receptenboeken tik je op de kop bij Soufflé in Corso Cavour 15, dat ook bijzonder aardewerk verkoopt in mediterrane pasteltinten, terwijl je de meest recente Italiaanse romans vindt in de uitgebreide boekhandels van Feltrinelli in Via quattro Spade 2, of Mondadori in Corso Sant’Anastasia 7. Wie zin heeft om zijn smaakpapillen te laten verwennen begeeft zich naar het Art & Chocolate Gallery Café in Vicolo Cavalletto 16 en voor een mooie fles wijn kun je je laten adviseren in de Vivavino wineshop in Via Guglielmo Oberdan 18.

Op zwoele zomeravonden kun je in de Arena di Verona luisteren naar je favoriete opera in de open lucht. Het programma begint meestal rond de laatste week van juni en biedt in het zomerseizoen 2018 de opera’s: Aïda, Carmen en Il Barbiere di Siviglia. Naast plezier voor operaliefhebbers stond er op 8 september 2018 ook een optreden van Andrea Bocelli op het programma.

 

In het centrum van Verona worden de mooie lanen verbonden door verschillende bruggen die een fantastisch uitzicht bieden. Niet alleen op de rivier de Adige, die door de hele stad stroomt, maar ook op de oevers die omgeven zijn door okerkleurige huizen en groene cipressen. Rond het Castelvecchio, de Piazza delle Erbe en de Torre dei Lamberti proef je de nostalgische sfeer, die hier als een sluier over de stad hangt. Laat je eens toezingen door jouw geliefde onder het bekende balkon van la Casa di Giulietta, waarvan men gelooft dat het het ouderlijk huis is geweest van Julia Cappelletti, de geliefde van Romeo Montecchi, of schrijf je naam op de muren als teken van eeuwige liefde.
Iedereen kent de Romeo en Julia tragedie, maar niet iedereen weet dat er zich in Verona ook een ander een liefdesverhaal heeft afgespeeld in 1900, dat alle kranten heeft gehaald en de stad op zijn kop heeft gezet. Over dat bijzondere verhaal en de gevolgen daarvan heeft de Italiaanse schrijfster Dacia Maraini een krachtige roman geschreven: Isolina (1980).

De in 1936 te Fiesole geboren Dacia Maraini, is een van de bekendste feministische schrijfsters van contemporaine Italiaanse literatuur. Zij heeft talloze romans, theaterstukken en artikelen geschreven, die in meerdere talen zijn vertaald. Met haar werk vraagt zij aandacht voor de ondergeschikte rol van de vrouw in de patriarchale samenleving. In haar theaterstukken zijn haar hoofdpersonen vaak historische vrouwen met een excentrieke overtuiging, die door het stellen van een politieke, creatieve of religieuze daad, de door de patriarchale maatschappij opgelegde norm voor het vrouwelijke gedrag hebben overschreden,
zoals bijvoorbeeld: Mary Stuart, koningin van Schotland en Elisabeth koningin van Engeland (Maria Stuarda), de zuster Inès de la Cruz (Sor Juana), de dichteres Veronica Franco (Veronica, meretrice e scrittora) of de mystica Caterina van Siena (I digiuni di Santa Catarina). Doordat deze vrouwen zich verzetten tegen de door mannen gedomineerde maatschappij, worden zij vervolgens uit de samenleving gestoten en uitgesloten, verbannen naar een klooster, gevangen gezet, of zelfs grofweg vermoord, op de brandstapel gezet of onthoofd (1). De schrijfster schuwt het niet om dit geweld tegen vrouwen te laten zien. Door te vertellen vanuit het vrouwelijk perspectief, geeft Dacia Maraini een stem aan haar gekwelde heldinnen.

 

Triest genoeg, is in Italië het fenomeen van de femminicidio, de moord op een vrouw, heel actueel. Bijna dagelijks wordt in Italiaanse kranten of op het telegiornale melding gemaakt van huiselijk geweld of moord waarvan een vrouw het slachtoffer is. Dit is het thema van de roman Isolina (1980), die zich afspeelt rond 1900 en het verhaal vertelt van het jonge meisje Isolina Canuti, afkomstig uit de arbeidersklasse en haar rijke legerofficier Carlo Trivulzio. Terwijl Isolina haar relatie met Trivulzio beschouwt als een serieuze liefdesrelatie, ziet Trivulzio haar slechts als tijdelijk vermaak omdat hij wil trouwen met een dame uit de hogere klasse. Wanneer zij zwanger is, is zij blij omdat zij hoopt hem te kunnen verplichten met haar te trouwen. Trivulzio wil het kind niet en Isolina sterft onder de handen van een legerarts in een poging om haar te aborteren. Met hulp van enige officieren, wordt haar lichaam in stukken gesneden en in het donker van de nacht in juten zakken in de rivier de Adige gegooid. Wanneer deze zakken gevonden worden door een paar wasvrouwen aan de oever van de rivier, worden de verantwoordelijken al snel gearresteerd. Het gerechtelijk proces dat volgt begint op 9 novembre 1901 maar de officieren worden niet veroordeeld omdat de rechters partijdig zijn en de advocaten de getuigen beïnvloeden en een zeer negatief beeld van Isolina, schetsen.

 

Dacia Maraini, die toevallig een van die kranten onder ogen kreeg, raakte zo geïntrigeerd door deze geschiedenis, dat zij besloot naar Verona te reizen om op zoek te gaan naar sporen van Isolina en zo de moord op haar te reconstrueren. In de roman wordt al het onderzoek van de schrijfster uitgevoerd door een ik-verteller, een journaliste. Om te beginnen heeft Dacia Maraini in het Juridisch Archief en in de gemeentelijke Bibliotheek documenten uit 1900, zoals de oude processtukken van de rechtszaken en verslagen van getuigenissen onderzocht. Vervolgens heeft zij krantenartikelen, foto’s, brieven en boeken uit die periode verzameld. Daarnaast is de schrijfster op zoek gegaan naar familie van getuigen uit die tijd, zoals de familie Canuti, die zij heeft gevraagd naar hun herinneringen. Zij heeft bijna alle plaatsen die van belang zijn voor het verhaal kunnen terugvinden en tenslotte ook het gemeenschappelijke graf ontdekt op de algemene begraafplaats van Verona, waarin de stoffelijke resten van Isolina zijn begraven. Gebaseerd op dat eigen onderzoek schetst Dacia Maraini in haar roman een heel ander, juist positief beeld van Isolina. Met haar roman doet zij recht aan Isolina en brengt haar opnieuw tot leven. Voor aanvullende informatie ( in het Italiaans) kun je hier klikken: link naar scriptie Isolina.

 

Onder de indruk van haar prachtige verhaal, besluit ik om net als Dacia datzelfde onderzoek te doen en met haar boek in de hand, ben ik naar Verona gegaan op zoek naar sporen van Isolina! Het is een fascinerende reis voor mij geweest en een bijzondere manier om de tesori nascosti, de verborgen schatten, van Verona te ontdekken.

 

In het boek logeert Dacia Maraini in albego Cavour in vicolo del Chiodo, in: “ het hart van de stad” , zoals zij dat beschrijft. Daar wil ik mijn zoektocht beginnen, dus neem ik het busje dat vanaf mijn hotel in de heuvels richting het dal en het centrum van Verona rijdt. Ik stap uit bij de Ponte Garibaldi, open het boek en lees:

“ Oggi il ponte Garibaldi pianta i suoi archi di granito nell’acqua smorta. Un muro si alza a reggere marciapiede del lungofiume su cui corrono le automobili. Lungo le parete mattonate si possono ancora vedere te tracce delle scalette da cui scendevano le lavandaie al fiume” (p. 7).

“ Tegenwoordig staan de granieten zuilen van de Garibaldibrug in het vervuilde water van de Adige. Langs de oever herrijst een muur als steunpunt voor de weg waarover nu de automobilisten racen. Langs de bakstenen muur kun je nog de sporen zien van de trappetjes waar vanaf de wasvrouwen afdaalden in de richting van de rivier” (p. 7).

 

Vanaf hier zie ik dat de rivier de Adige haar weg soms heel rustig zoekt maar dat het water ook wild stroomt, net zoals Dacia Maraini dat in Isolina visualiseert. Links van mij zie ik de twee trappen, die leiden naar een breder gedeelte aan de oever. Dit moet de plaats zijn geweest waar de wasvrouwen van Verona in die tijd hun werk deden en waar in de nabije omgeving de zakken met de menselijke resten van Isolina uit de rivier zijn gevist.

Ik loop verder en sta dan midden in de Corso Cavour, een van de drukste straten van de stad. Ik lees:

“ Verona. Inseguendo Isolina. Arrivo il 19 settembre, un giovedì, col treno da Roma. Scendo all’albergo Cavour in vicolo del Chiodo. Una scala stretta, una stanza minuscola che dà su un tetto di tegole smozzicate, delle tende bianche ariose, un furioso battibeccare di piccioni” (p. 49).

“ Verona. In het spoor van Isolina. Ik arriveer op 19 september, een donderdag, met de trein vanuit Rome. Ik stap uit bij mijn hotel Cavour in de vicolo del Chiodo. Een smalle trap, een piepklein kamertje met uitzicht op een dak met in stukken gebroken dakpannen, witte luchtige gordijnen en een gekir van duiven die ruzie lijken te maken” (p. 49).

 

De vicolo del Chiodo moet hier dus dichtbij zijn. Het eerste wat mij opvalt als ik uiteindelijk dat steegje vind, is het gekir van die duiven! De steeg is smal. Waar is dat albergo Cavour? Plotseling zie ik het achteraan aan de linkerkant: albergo Cavour staat er in verticale Tl-buisletters. Ik besluit naar binnen te gaan, en zie een vriendelijke, wat oudere mevrouw achter de receptie zitten. Ik vertel haar dat ik onderzoek doe naar Dacia Maraini. “ Ma si! La signora Maraini”, antwoordt zij mij, “die heb ik jaren geleden ontmoet toen de schrijfster in het hotel logeerde”. Ze vertelt mij hoe zijzelf, toen nog een jonge vrouw, met haar hele familie heeft meegeleefd met de schrijfster en met haar onderzoek naar Isolina. Het is zó leuk om met haar te spreken! Ze gaat mij voor de smalle trap op en dan sta ik in het kamertje dat uitziet op het dakterras, precies zoals Dacia Maraini het in haar roman beschrijft….. Ik bedank haar hartelijk voor al haar inlichtingen en vervolg mijn weg.

In deze steeg moet ook het restaurant Il Chiodo zijn geweest, waar de moord op Isolina zich heeft afgespeeld. Van die trattoria is hier geen spoor meer te vinden. Ik ben hier in deze steeg ook om een sculptuur van een jonge vrouw te ontdekken, die zich volgens Dacia Maraini hier op een van de muren bevindt en volgens de Veronesi het gezichtje van Isolina zou zijn. Ik lees:

“ In fondo alla strada, verso via Cavour, un muro dipinto di fresco. In un angelo una faccetta di donna in bassorilievo. Pietra su pietra. I capelli ravviati all’indietro che finiscono in una treccia folta, le labbra pesanti, il naso grassoccio. La voce popolare ha voluto vedere in questa scultura di donna il ritratto di Isolina Canuti. Se ne sta sospesa a mezza parete, un’aria savia e perplessa, gli occhi vuoti di pietra grigia, le guance mangiate dal tempo” (p. 49).

“ Aan het einde van deze weg, richting via Cavour, een muur die fris geschilderd is. In een hoek een vrouwengezicht in reliëf. Steen op steen. Het haar naar achter gevlochten in een vlecht. Volle lippen, een flinke neus. De Veronesi willen in dit kleine beeldhouwwerkje graag het portret van Isolina Canuti zien. Daar hangt zij halverwege de muur, met een wijze en verbaasde uitdrukking, de lege ogen van grijze steen, de wangen aangevreten door de tijd” (p. 49).

 

 

Precies aan het begin van de steeg, daar waar de vicolo il Chiodo en de Corso Cavour, elkaar kruisen, vind ik een fris geschilderde rode muur en kijkt de beeltenis Isolina mij aan…

Ik loop verder door het centrum van de stad en kom uit bij het Castelvecchio waarin zich nog net als toen, de Circolo Ufficiali, een club voor legerofficieren, bevindt. Ik lees de beschrijving die Dacia Maraini geeft en het klopt allemaal:

“ […] vado al Circolo Ufficiali. Che si trova proprio dentro il Castelvecchio. Un ponte levatoio di vecchio legno bucato. Catene ricoperte di rampicanti. E un fosso che si apre sotto i piedi irto di cardi e di erbe selvatiche” (p 61).

“ […] ik ga naar de Circolo Ufficiali. Die zich middenin in het Castelvecchio bevindt. Een ophaalbrug van oud en verweerd hout. Kettingen bedekt door klimplanten. En een greppel die onder je voeten tevoorschijn komt begroeid met distels en wilde kruiden” (p. 61).

 

 

 

Vanaf het Castelvecchio loop ik naar het Archivio en de Biblioteca communale, waar Dacia Maraini is geweest om navraag te doen over de archiefstukken van het proces van de zaak en de verslagen van de pleidooien van de advocaten.

 

Net als die van Dacia Maraini, eindig ik mijn zoektocht bij het grote kerkhof van Verona, het Cimitero monumentale di Verona. Het is een prachtige plek. De sfeer is er sereen. Grote graftomben van de rijke families van Verona beschermd door engelen van marmer, worden afgewisseld door honderden rijen witte grafstenen. Een overvloed aan groen, een fijn briesje. Even verderop zijn grafdelvers aan het werk in de brandende zon. Waar moet ik beginnen om het graf van de familie Spinelli, waarin ook de moeder van Isolina begraven ligt te vinden? En waar is het gemeenschappelijke graf waar de stoffelijke resten van Isolina in terecht zijn gekomen, dat Dacia Maraini beschrijft? Ik besluit om het aan de grafdelvers te vragen. Zij zijn vriendelijk en behulpzaam en verwijzen mij naar een klein kantoortje waar de registratie van de graven wordt bijgehouden.

 

Anders dan in de tijd van Dacia Maraini, die toen zij hier stond twee boekenplanken met gegevens over de laatste negentig jaar moest doorwerken, is nu alles gedigitaliseerd. Ik neem een volgnummertje uit de automaat en wacht ik in het kleine kamertje. Het enige geluid is dat van de ventilator die zachtjes heen en weer beweegt. Er zitten nog een paar mensen zwijgend voor zich uit te staren. Als ik eindelijk naar binnen mag, lijkt de mevrouw die er zit niet erg behulpzaam. Er is te weinig personeel vertelt zij, degene die mij zou kunnen helpen is niet aanwezig, “è l’ora di pranzo, capisce” (het is tijd voor de lunch, begrijpt u). Dat ik speciaal hiervoor helemaal uit Nederland ben gekomen, verandert daar niets aan, dus bedank ik haar toch maar beleefd en vertrek teleurgesteld. Als ik weer buiten sta komt de mevrouw plots achter mij gerend, ze blijkt toch nog iemand gevonden te hebben die mij misschien wèl iets kan vertellen over de graven van begin 1900! Zo kom ik uiteindelijk achter het nummer van het graf van de familie van Isolina dat zich in de schaduw van een zuilengalerij bevindt. Net als Dacia Maraini loop ik daar tussen de graven door naar toe:

“ Ci incamminiamo fra le tombe. Troviamo una lapide della famiglia Spinelli (la madre di Isolina) […]” (p. 52).

“ Wij lopen tussen de graven door. We vinden een grafsteen van de familie Spinelli (de moeder van Isolina) […]” (p. 52).

 

 

 

 

 

 

Ik loop een trapje af naar beneden en kom uit op een cirkelvormige binnenplaats. Hier is geen schaduw meer van de zuilen. In de brandende zon loop ik verder over een grindpad, met aangrenzend twee rijen rechthoekige witte grafstenen. Dacia Maraini beschrijft hoe de overledenen je hier met hun blikken volgen vanaf hun foto die bevestigd is aan hun grafstenen en dat is een vreemd gevoel ….

“ Degli occhi bui seguono i visitatori con sguardi a volte ironici, a volte corrucciati, a volte estatici ” (p. 52).

“ Duistere ogen volgen de bezoekers met blikken die soms ironisch, soms verontwaardigd, soms extatisch zijn” (p. 52).

Nu zie ik ook in het midden van de zuilengalerij het Pantheon met het opschrift: PIIS LACRIMIS. Ik ben nu dus dicht in de buurt van het fossa comune, het gemeenschappelijke graf, waarin volgens Dacia Maraini ook Isolina begraven is…

“ Il cimitero è fitto di lapidi e di fiori. Fa caldo. Il sole è appena sbucato fra le nuvole bianche. Intorno a noi colonne alte massicce. Davanti una specie di Pantheon con su scritto PIIS LACRIMIS ” (p. 52).

 

“ De begraafplaats staat boordevol grafstenen en bloemen. Het is warm. De zon is net tevoorschijn gekomen uit de witte wolken. Om ons heen staan hoge massieve zuilen en vóór ons een soort Pantheon waarop geschreven staat PIIS LACRIMIS ” (p. 52).

Op de kruising van twee lanen omgeven door eindeloze witte rijen met grafstenen, vind ik uiteindelijk het gemeenschappelijke graf. Hier mist een grafsteen met haar foto, hier zijn geen bloemen. Hier is zelfs geen naam. Hier is slechts een ronde steen liggend in het grind:

“ […] ecco per terra una pietra tonda e grigia. È la fossa comune ” (p. 53).

“ […] daar in de grond een ronde grijze steen. Het is het gemeenschappelijk graf ” (p. 53).
Invoegen foto 0041.

Het is mooi voor mij om hier te zijn en ook een beetje onwerkelijk. Mijn zoektocht is klaar.

 

Ik laat een bos bloemen achter op de ronde steen als aandenken aan Isolina en bedenk mij dat de jonge vrouw dankzij Dacia Maraini, niet is vergeten; ik sta hier bijna honderd jaar later en overdenk haar leven. Het is daadwerkelijk zoals in het fascinerende verhaal van Dacia Maraini, de botten blijven als teken van ons bestaan:

 

“ Ma le ossa rimangono, anche ridotte a pezzetti, a testimonianza di un corpo che una volta è stato vivo contro ogni volontà di annullamento continuando a dare segno di sé in silenzio ma con decisione come a dire: ci sono voluti nove mesi per darmi forma, ci sono voluti anni per fare di me una persona adulta, anni di lavoro, di amore, di sonno, di cibo, e non puoi, semplicemente non puoi eliminarmi ” (p. 53).

 

“ Maar de botten blijven, al zijn ze tot kleine stukjes verworden, als getuigenis van een lichaam dat eens heeft geleefd en dat tegen elke wil om het te vernietigen in, doorgaat een teken van zijn eigen bestaan af te geven. In stilte, maar vastbesloten alsof het zeggen wil: het heeft negen maanden geduurd om mij vorm te geven, er zijn jaren nodig geweest om van mij een volwassene te maken, jaren van werk, van liefde, van slaap, van eten, en je kunt mij niet uitvlakken, dat kun je simpelweg niet ”
(p. 53).

 

Citaten overgenomen uit: Dacia Maraini, Isolina, Milano Rizzoli (1° ed. 1985) 2008.

(1) Marie-José Heijkant, Dacia Maraini, in Italiaanse literatuur na 1900, a cura di B. van den Bossche & F. M. Mussara, Leuven, Peeters, 2004, pp. 270-273)

Copyright en vertaling Louise Helsloot © 2018